boekhandel over het water logo

De inspirerende boekhandel in Amsterdam-Noord

Blog

05 april 2018

Bezweringen

clematis flammula

Atheïsten hebben het maar moeilijk. Er is niets groters dan zijzelf om verlossing, vergeving en empathie uit te putten. Dat alleen al maakt dat ik vroeger vaak wenste dat ik kon geloven dat er een God was. Dat er iemand luistert als je bidt, dat ook.

Maar er is nog iets. De hedendaagse handlettermode met levensverlichtende quotes is er niet voor niets, volgens mij. Wij atheïsten hebben geen spreuken die we kunnen inzetten op momenten van geestelijke nood. Geen Onze vader, geen weesgegroetje. Zelf Ohm mani padme hum is eigenlijk leeg. Daarom vullen grootse wijsheden instagram, denk ik, uit de behoefte aan een formule, een bezwering wanneer niets anders helpt.

Franny Glass, één van de twee hoofdpersonen uit Franny & Zooey, van J.D. Salinger gebruikt als bezwering het Jezusgebed van de oude boer. Ze is vastgelopen in haar dagelijks leven, haar vriend vindt ze te pretentieus en eigenlijk haar vriendinnen ook. De hele universiteit, in feite, en daarmee het leven zoals ze zich dat had voorgesteld. Ze zoekt soelaas van haar geestelijke verwarring in een oud boekje waarin een onbelezen Russische boer tot verlichting komt door het almaar reciteren van het Jezusgebed. Ze probeert het. Het redt haar niet.

Bij Franny gaat het, volgens mij, mis omdat ze niet kan geloven in wat ze zegt. De betekenis van het Jezusgebed, en de rigoreuze regel dat je het almaar achter elkaar door moet zeggen, wat je ook doet, zit in de weg. Probeer maar achter elkaar iets te zeggen dat je niet gelooft. Bijvoorbeeld ‘Trump is een goede man. Trump is een goede man.’ Herhalen is schier onmogelijk, maar bij één keer slaat de irritatie al toe. De betekenis zit de bezwering in de weg, gebeurt niets anders dan dat je nadenkt over wat er staat. Terijl het juiste zinnetje iets teweeg brengt. Er gebeurt iets.

Als kind kon ik zachtjes, haast onhoorbaar, haast onbewust, zinnetjes fluisteren die een bepaalde aantrekkingskracht hadden. Omdat ik ze niet begreep, doordat ze een mooi ritme hadden… Eindeloos prevelde ik ze voor me uit. In de loop van de tijd ben ik dat kwijgeraakt. De laatste was ‘inaugurele rede’, het was ten tijde van het eerste presidentschap van Clinton. Ik was de gewoonte al bijna vergeten tot ik mijn zoon erop betrapte hetzelfde te doen. Hij doet het tijdens het tekenen, tijdens het spelen en zelfs soms terwijl ik hem voorlees. Zijn lippen bewegen, het geluid is niet meer dan een soort gesuizel. Dan kan hij ineens vragen: ‘Mam, wat betekent … eigenlijk? Het zit al de hele tijd in mijn hoofd.’
Het zijn mantra’s, die zorgen voor rust in het hoofd. Verbale white noise, misschien, dat een teveel aan bijgedachten onderdrukt.

Bewust bezwerende formules heb ik ook lang gehad. ‘Als de nood het hoogst is, is de redding nabij,’ bijvoorbeeld. Maar degene die het beste werkte was ‘Chico Petrillo!’ (Uitgesproken als ‘Tsjíeko Peetríeljo) Hij komt uit een Italiaans volkssprookje dat mijn moeder vaak voorlas, uit een pocket van Italo Calvino.*

Het is de moeite waard het sprookje op te zoeken, omdat het het meest relativerende sprookje is dat ik ken. Het verhaal heet ‘Het kan altijd nog erger’ en het gaat over een man, wiens kersverse echtgenote en haar ouders onbedaarlijk huilen over het verschrikkelijke lot van Chico Petrillo, het nog niet eens verwekte kind van de man en zijn echtgenote. Hij verlaat hen met de belofte dat hij alleen terugkomt wanneer hij drie mensen tegenkomt die nóg erger zijn dan zijn bruid en schoonouders… De afloop laat zich raden.

‘Chico Petrillo!’ riepen mijn moeder en ik tegen elkaar wanneer iets volledig in de soep liep, er iets heel akeligs gebeurde of we er mentaal even helemaal doorheen zaten. ‘Chico Petrillo!’ Het helpt alleen al omdat je het niet somber zeggen kan. Als vanzelf verschijnt er een glimlach op je gezicht, als vanzelf liften je oogleden, als vanzelf komt er ruimte in je gemoed.

Voorwaarde voor maximale uitwerking is dat er iemand is die het met je deelt. Wiens ogen ook meer gaan glimmend en wiens stem ook opeens omhoog schiet. Op zijn best is het een bezwerende dialoog: ‘Chico Petrillo?!’ ‘Chico Petrillo!’ En dan samen lachen. Sinds ik uit huis ben, werkt Chico Petrillo! minder effectief.

Daarom is mijn nieuwe bezwering zo welkom. Ik heb hem uitgeprobeerd en hij werkt. Hij komt uit Mijn geheime tuin van Meir Shalev. Shalev schrijft in dit boek over het stukje land dat zijn tuin is en waar hij met zo min mogelijk (nog steeds best veel) ingrepen planten en bloemen kweekt, die van nature voorkomen in het land waar hij woont, Israël. Vol zorg en liefde schrijft hij over zijn handelingen, maar vooral over de planten die hij verzorgt en die allemaal een eigen karakter krijgen in zijn woorden. Vaak verbindt hij gedachten over zijn tuin met gedachten over het leven, zijn jeugd, maar vooral literatuur.Mijn wilde tuin Meir Shalev

Zo vertelt hij over verrassende bloemen op ongenaakbare plaatsen en dat leidt tot een verhaal van de schrijver S. Yizhar. Yizhar schrijft over zijn biologieleraar, die in een wadi stilstaat bij een bloeiende clematis, zijn armen spreidt ‘…en als de schittering van het firmament waren zijn blauwe ogen toen hij uitriep, recht uit het hart: “Och, och, de clematis.”’ Yizhar, zo schrijft Shalev, beschrijft dit voorval om de positieve invloed die deze uitroep heeft, ongeacht of je biologieleraar bent en of je tegenover de plant staat of niet. Yizhar schrijft dan: ‘Probeer het zelf toch ook eens even en jullie zullen het zien. […] Kom overeind, ga staan op de plek waar jullie zijn, kom overeind, ga staan en spreid de armen zijwaarts, en probeer het, roep met luide stem en van ganser harte aldus: “Och, och, de clematis” – en jullie zullen zien wat er gebeurt.’

‘Toen ik dat voor het eerst las, grinnikte ik,’ schrijft Shalev, ‘Maar toen ik een paar dagen later behoefte had aan verbetering van het humeur en alleen thuis was, stond ik op, ging voor het grote raam staan dat uitkijkt op de Karmel, spreiide mijn armen en riep uit: “Och, och de clematis” – en het gebeurde. De aanbeveling of constatering van Yizhar had effect.’**

Zulke spreuken hebben wij nodig, wij atheïsten. Een zinnetje dat het bewustzijn verandert. Dat zo neutraal van betekenis en zo lekker van bek is dat je het met goesting kan uiten, vol overtuiging, zonder reserve. Iets laten gebeuren, wanneer ‘het hart overloopt of juist verhardt en ineenkrimpt’. En het werkt. ‘Och, och, de clematis’

*De correcte spelling blijkt te zijn: Cicco Petrillo.
**De clematis die Shalev in zijn tuin heeft staat op de bovenstaande foto: clematis flammula, bekendere naam: bosrank. Foto van deze website.

16 maart 2018

Boek van de week: verpozen tussen Libanese ceder, kruiwagen en dwergooruil

Mijn wilde tuin Meir Shalev

Er zijn bepaalde kenmerken waarvan ik zo langzamerhand weet dat ze voortkomen uit mijn stresslevels. Onrust in mijn hoofd, bijvoorbeeld. Suizen in mijn oren. Ongedurigheid.

Ik ken de remedie. Lezen. Maar dan wel het goede boek.

Mijn wilde tuin is het goede boek. De Israëlische auteur Meir Shalev werd in binnen- en buitenland bekend vanwege zijn prachtige romans, die schrijnend en warm tegelijkertijd zijn. Onderdompelingen in andere levens. Maar in Mijn wilde tuin schrijft Shalev met zijn fijne pen over zijn tuin in de vallei van Jizreël. Met zo min mogelijk ingrijpen probeert hij de natuur te helpen en allicht een beetje naar zijn hand te zetten. Inheemse bloemen zaait hij van in het wild gewonnnen zaad. Hij kiest met zorg welke bomen kunnen blijven, welke weg moeten en welke hij zal planten.

De grootste strijd voert hij tegen de blindmuis, vergelijkbaar met onze mol, maar wanneer hij zich realiseert dat hij niet zonder zeer drastische maatregelen*  een einde kan maken aan de invasie, legt hij zich bij het samenleven neer. Net zo verzoend hij zich met het bijna dagelijkse repareren van de irrigatiebuisjes en met de populaties mieren die in zijn tuin huizen.

Vol ontzag en liefde schrijft hij over die verzoeningen, maar ook over de gereedschappen en dieren die zijn landje bezoeken. Nimmer zag ik zoveel toeweiding aan een knol van een bloem of aan de zang van de dwergooruil.

Dus vlei ik mij ’s avonds op de bank en waan me even in de knoestige, weerbarstige, kleurrijke tuin van Shalev. En mijn oren worden stiller… mijn hoofd wordt rustiger… de scharreldrang neemt af…

In de drukke boekenweek is Mijn wilde tuin míjn boek van de week.

*Over gas in de blindmuistunnels pompen: ‘[ik besloot] dat er dingen zijn die Joden niet moeten doen’.

23 februari 2018

Boek van de week: een lang gemiste favoriet

Het hoofdkussenboek Sei Shōnagon

Herlezen van een boek voelt soms als bijpraten met een oude vriend of terugkomen op een dierbare plek. Die haast fysieke ervaring dat er iets op zijn plaats klikt, dat je iets terugvond waarvan je was vergeten dat je het kwijt was: een specifiek gevoel van thuiskomen. Dat gevoel geeft mij het herlezen van Het hoofdkussenboek van Sei Shōnagon. Het was al jaren niet leverbaar, maar nu is het er weer! In een kakelverse, kraakfijne vertaling van Jos Vos.

Sei Shōnagon is als een gevat, opmerkzaam nichtje, dat met brille haar mening over alles te berde brengt. Of het gaat over de beste kleur bovenkimono voor de 7e maand, haar ervaringen met heren of een lijstje van Vreselijk vieze dingen: ‘Naaktslakken./De haren van een bezem waarmee een vuile vloer wordt geveegd./Eetkommen in het vertrek van de hogere adel.’

Dit lijstje geeft de vreugde van het boek in een notendop. Ik denk dat er weinig mensen zijn die het gevoel van Shōnagon niet delen dat naaktslakken vreselijk vies zijn. Bij de haren van de bezem kun je je ook wel iets voorstellen. Maar dan het bevreemdende: eetkommen in het vertrek van de hogere adel. Een storm van nieuwsgierigheid steekt op in mijn hoofd. Hoe zullen die er dan wel niet uitgezien hebben? Eet de hogere adel viezer dan lager geplaatste mensen? Waarom vond ze die vies? Moest zij ze opruimen? Hoe maar je een eetkom ‘vreselijk vies’? En zo laveer je als lezer van het herkenbare naar het volstrekt onbekende.

Tegelijkertijd zo invoelbaar en zo vreemd was het leven aan het Japanse hof in de 10e eeuw, de tijd waarin Sei Shōnagon haar hoofdkussenboek schreef. Naast lijstjes bevat het boek essayistische passages en dagboeknotities. Ze geven inkijkjes in het dagelijks leven, en de omgang tussen de seksen, van die tijd. Ze dacht niet aan ons, 1000 jaar later, maar schreef voor zichzelf en hoogstens haar tijdgenoten. Daarom legt de vertaler hier en daar gebruiken en dubbelzinnige Japanse uitdrukkingen uit, maar er blijft genoeg te verwonderen over.

Nog één citaat: ‘Het is ook leuk om in retraite te gaan aan het eind van de tweede maand, of aan het begin van de derde, wanneer de kersen in bloei staan. Twee of drie aantrekkelijke knapen duiken op, en kennelijk staat ieder van hen aan het hoofd van een huishouden. Ze gaan fraai gekleed in kersenbloesem- of wilgenbladkleurige gewaden met daaronder sashinuki’s waarvan de pijpen heel elegant zijn opgebonden boven de enkel. Hun dienaren passen al even ged bij hun omgeving en dragen fraai versierde knapzakken, terwijl hun pages gekleed gaan in pruimrode of lentegroene jachtkostuums met ondergewaden in velerlei kleuren en bont geverfde hakama’s.’

Zoals je soms te lang blijft hangen op social media, zo blijf ik hangen in Het hoofdkussenboek. Nog één blogpostje, nog één lijstje… Maar dan wèl mooi en interessant, natuurlijk.